Logo Monumententoezicht Logo Erm 0toezichtsrapportage

Intrekken van een omgevingsvergunning

Het bevoegde gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken. De wetgever heeft bij deze intrekkingsbevoegdheid een onderscheid gemaakt tussen de reguliere intrekking (artikel 2.33 Wabo) en de intrekking als sanctie (artikel 5.19 Wabo).

Artikel 2.33, lid 1 Wabo vormt de grondslag voor de dwingende intrekkingsgronden. Het bevoegd gezag is verplicht de vergunning in te trekken als aan de daar vermelde criteria wordt voldaan. Een voorbeeld is een intrekking op grond van strijd met de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag. Artikel 2.33, lid 2 Wabo biedt de grondslag voor de discretionaire bevoegdheid tot intrekking. Een criterium vormt dat de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zo zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder weegt.

Op grond van artikel 5.19 lid 1 Wabo kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:

  • de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
  • niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld;
  • de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd;
  • de voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels, zoals het Bouwbesluit of een verordening, niet worden nageleefd.

Het bevoegd gezag mag pas tot intrekking overgaan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning.